~~~

Het ijs onder haar lichaam kraakte vervaarlijk. Dat het koud was zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar zo voelde het niet. Haar hoofd kon ze niet optillen, evenmin was er in de rest van haar lichaam beweging te krijgen.

Sta nou op! schreeuwde een stem in haar hoofd, maar haar lijf weigerde dienst. Zwart ijs drukte tegen haar wang en nog steeds hoorde ze het kraken, diep in haar hoofd. Het zou niet lang meer duren of het zou breken, haar onder de dikke, bevroren laag schuiven en verzwelgen, de diepte in.

Naar het zwarte gat zwemmen, dat moest ze doen. Maar hoe dan? Ze kon zich immers niet bewegen. In haar hoofd probeerde ze terug te halen hoe ze op het meer terecht gekomen was. De ruis in haar oren en de mist in haar herinnering vertroebelden echter de beelden die ze trachtte op te roepen. Ze balde haar vuisten en deed een poging om op te staan. Maar ze kon de kracht niet vinden.

Hoe troebel haar blik ook was, toch ontwaarde ze figuren onder de dikke laag ijs. Witte en donkere schimmen die vreemde vormen hadden, maar waarvan ze niet kon plaatsen of ze ze eerder had gezien.

Opnieuw probeerde ze haar gedachten te ordenen, maar kon zich amper herinneren wat er was gebeurd.

Ze hadden ruzie gehad, Daniël en zij – om dat stomme glas natuurlijk – en hij had haar hardhandig de keuken uit geduwd. De deur ging dicht en ze hoorde hoe hij daarna tekeerging. Hij sloeg alles kort en klein, waarbij hij schreeuwde en vloekte. Hij trok lades open en kwakte het bestek op de keukenvloer, marmeren plavuizen die ze in het eerste jaar dat ze samen waren, zorgvuldig uitgezocht hadden bij een Italiaans keukenontwerper. Hij bonkte met zijn hoofd tegen de muur – ze herkende het geluid maar al te goed – en stootte oerachtige geluiden naar buiten.

Er verscheen een tevreden glimlach rond haar mond. Ze had hem, daar waar ze hem wilde hebben. Maar hoe kwam ze dan hier op het ijs, van het meer even verderop achter hun huis?

 

‘Hoe haal je het in je hersens om zo met me om te gaan?’ riep Heleen, terwijl ze, om haar woorden extra kracht te geven, haar handen in haar zij zette.

Die houding maakte Daniël furieus. Dat wist ze. Op die manier straalde ze het soort autoriteit uit wat hem deed denken aan zijn tirannieke moeder. Toen die dood en begraven was kon hij haar eindelijk echt uit zijn leven verbannen.

Nooit meer bang voor een wijf, had hij met zichzelf afgesproken.

Vijf jaar later ontmoette hij Heleen, het evenbeeld van de vrouw, uit wiens liefdeloze schoot hij was geboren, zou niet veel later blijken, die hem alle mislukkingen in haar leven kwalijk nam.

‘Het is jouw schuld!’ schreeuwde Heleen, wanneer er weer eens iets mislukte: de naaiclub die haar bouwsels niet opnam in de modeshow van het buurthuis, de toneelvereniging die voor de zoveelste keer op rij geen rol voor haar beschikbaar had, en de twintigste sollicitatie waarbij ze afgewezen werd omdat ze zoveel moeite had met autoriteit. Haar, haar, haar. Ze meende serieus dat heel de wereld om haar draaide, dat iedereen op haar zat te wachten. Ook in hun huwelijk. Het draaide allang niet meer om ‘hen’; de psychische stoornis die ze bezat stond dat danig in de weg.

Haar narcisme maakte hem wanhopig en bij tijd en wijle wenste hij dat hij de moed bezat om bij haar weg te gaan. Maar het kon niet. Ze zou hem tot in lengte van dagen achtervolgen en hem het leven dusdanig zuur maken dat hij er misschien uiteindelijk zelf wel een eind aan zou maken. Dan zou ze echt alle troeven in handen hebben; dan kon ze immers alles over hem vertellen. Hoe slecht, slap en waardeloos hij was.

 

‘Dat glas wordt mijn dood nog eens,’ schreeuwde Heleen.

‘Mooi,’ riep Daniël en hij meende het. Hij hoopte, nee, wenste vurig dat ze nu, hier, ter plekke zou neervallen om nooit meer op te staan. Dood, begraven en opgevreten door duizenden insecten die onder de grond leefden en haar nog wel een lekker hapje vonden.

‘Daan,’ zei ze, nu met getemperde stem, ‘jouw verzameling kost ons een rib uit ‘t lijf. Venezuela, Murano, Leerdam… je hobby is gewoon te duur.’

‘Ik doe er niemand kwaad mee, Heleen,’ antwoordde hij. Ook zijn stem klonk zachter. Hij was het ruziemaken zo moe. Waarom gunde ze hem niet dit ene kleine beetje lol in zijn leven: die glazen objecten, flessen en schalen… Omdat ze zelf niets had? Het lag op het puntje van zijn tong om dat te zeggen, maar hij slikte de woorden weer in. Het zou verre van verstandig zijn haar opnieuw boos te maken. De woedeaanvallen duurden lang, soms wel een hele dag en hij zag juist dat ze een beetje begon af te koelen. Misschien kon hij haar weer helemaal tot rede brengen, zoals het hen altijd verging: zij maakte brokken, die hij vervolgens weer opruimde.

Hij schraapte zijn keel en zei, nu op z’n allervriendelijkst:

‘We hebben destijds de serre voor jou laten bouwen. Die wilde jij graag. Gun mij mijn ding dan ook en laat mij dat glas…’

‘Die serre staat niet in verhouding met jouw melkflessen, Daan,’ onderbrak Heleen hem op sarcastische toon. Haar ogen stonden ijzig.

Ze was jaloers, besefte Daniël ineens. Dat hij meer tijd aan zijn hobby besteedde dan aan haar, dat kon ze niet uitstaan.

 

De smetteloos witte kast – Ikeakwaliteit – stond vol met zijn pronkstukken. Hoogtepunten waren de schalen van Murano, de tientallen ballen met honderden, netjes op een rij zittende luchtbelletjes, zogenaamde ‘spijkerbollen’ en de melkwitte, halfdoorzichtige Meydamflessen van ongeveer anderhalve meter hoog.

Er waren tranen in zijn ogen gesprongen toen Daniël destijds gebeld werd en de heugelijke mededeling had gekregen dat zijn bod geaccepteerd was. Hij kon de 20-tal flessen het weekend dat daarop volgde al ophalen.

Uiterst behoedzaam had hij ze die zaterdag uit het bobbeltjesplastic gehaald, ze met een zachte doek opgewreven en meer dan voorzichtig, een voor een, een plekje in de kast gegeven. Vol liefde stond hij er daarna nog wel een uur naar te kijken. Zijn ogen glommen van trots, die van Heleen werden gifgroen.

 

‘Je houdt niet meer van me,’ riep ze, toen hij, zoals hij iedere dag had gedaan sinds ze daar stonden te pronken, langs de kast liep en liefdevol een van de flessen streelde.

‘Nee,’ zei hij gedachteloos, ‘dat klopt.’ De opmerking kwam als donderslag bij heldere hemel, zowel voor Heleen als voor Daniël. Dat hij het zomaar ineens had durven zeggen.

‘Je bent jaloers,’ zei hij, er nog een schepje bovenop doende. Heleens ogen werd groot en spogen vuur.

‘Klootzak!’ riep ze en beende met grote passen naar de Ikeakast. ‘Zal ik jou eens laten zien wat ik van jouw verzameling vind?’ Haar woorden galmden nog na door de woonkamer, toen ze haar handen rondom de rand van de kast zette en deze in één beweging voorover kieperde. Dat ze zo sterk zou zijn had geen van beiden verwacht.

Als in slow motion keek Daniël naar het omvallen van het witte gevaarte. De schalen, objecten en tientallen flessen braken in stukken uit elkaar op de vloer. Even waren ze beiden perplex. Heleen sloeg geschrokken haar handen voor haar mond. Ze had nooit kunnen bevroeden dat de kast zo makkelijk mee zou geven. Daniël balde zijn vuisten en slaakte een langgerekte, ijselijke kreet. De spieren in zijn hals zwollen op waarbij zijn slagaders gevaarlijk naar voren kwamen. Heleen zag dat een van de spijkerglasbollen langzaam naar haar toerolde. In een reflex bukte ze zich, greep de bol en zonder verder na te denken gooide ze het haast massieve stuk glas naar Daniëls hoofd. Hij staakte meteen zijn geschreeuw en zakte door zijn knieën. Roerloos bleef hij op de grond liggen.

 

Hijgend trok Heleen aan het afdekzeil van de motorboot die op de trailer in de schuur naast het huis stond. Met een broodmes, dat ze inderhaast van de magneet aan de keukenmuur had gegrist, zaagde ze de spantouwen door, waarna ze het zeil losmaakte en vervolgens met zich meetrok, het huis in. Heleen rook de vissige geur, die in het zeil hing en die de smaak van adrenaline en wanhoop in haar mond enigszins maskeerde. Ze kokhalsde en moest meer dan haar best doen om niet over te geven.

Ze legde het zeil naast het lichaam van Daniël en rolde hem er met veel moeite in. Toen zijn hand langs haar been gleed huilde ze van nervositeit en walging. Ze probeerde zijn oogleden te sluiten, zoals ze bij films weleens had gezien, maar bij Daniël wilde dat niet lukken. Hij bleef haar glazig aanstaren, zoals een dode vis in het schaafijs bij de visboer.

Het duurde zeker een uur voor ze het inderhaast dichtgeknoopte zeil naar het meer had gesleept. Daniël was loodzwaar, maar eenmaal in het water bleef hij met een grote luchtbel in het bootdoek boven water drijven. Heleen schreeuwde hysterisch en rende terug naar huis. Daar zocht ze wild om zich heen naar iets waarmee ze zijn lichaam zou kunnen verzwaren.

‘Verdomme!’ riep ze wanhopig, toen ze niets kon bedenken. Toen viel haar oog op de grote stukken glas van de Meydamflessen. Ze zocht de grootste, heel gebleven brokken en nam deze mee, terug naar het meer. Ze waadde door het water en legde een voor een, telkens heen en weer lopend, de kapotte flessen op het lichaam. Héél langzaam zonk het daarna onder het wateroppervlak.

 

Op handen en voeten was ze terug naar huis gekropen, niet bij machte om op te staan. Eenmaal thuis wist ze hun slaapkamer te bereiken en haar doorweekte kleren uit te trekken. In haar blootje ging ze op de rand van het bed zitten. Hoelang ze daar zo had gezeten wist ze niet meer. Haar haren plakten aan haar gezicht en zaten vol kroos en groene drab uit het meer. Morgen zou ze het bordje ‘Blauwalgen’ aan de rand van het water zetten.

Terwijl ze uit alle macht probeerde haar hartslag omlaag te krijgen trok ze haar joggingpak aan.

‘Kalm, Heleen,’ zei ze tegen zichzelf en terwijl ze voor het raam ging staan haalde ze enkele malen diep adem. ‘Alles komt goed.’

 

Haar hartslag bonkte in haar slapen en het deed vreselijk zeer. Ze wilde Daniël roepen, maar het enige dat ze uit haar keel kon krijgen waren gorgelende geluiden, met daar achteraan iets wat op een naam leek.

Waarom stond ze niet op? En waarom had ze het veel minder koud dan ze het eigenlijk zou moeten hebben? Het was midden in de winter, immers: ze lag op een dikke laag ijs. Ze zou zo onderhand bevriezingsverschijnselen moeten hebben.

Flessen.

De herinnering schoot als een vuurpijl door haar hoofd en ging weer net zo snel als hij was gekomen.

De witte vormen die ze onder het ijs zag bleven maar verschijnen. Vreemde figuren die naar haar leken te wijzen, alsof ze iets wisten en haar bekritiseerden, witte rechters op een kluit.

Ze opende haar handen en legde ze naast haar hoofd op het ijs, haar lichaam maakte zich klaar om zich op te drukken en te gaan staan. Het dreigende gekraak onder haar weerhield haar er echter van zich nog meer te bewegen. Ze wenste dat ze wat beter zou kunnen zien en kneep haar ogen enkele keren stijf dicht. Heleens blik werd scherper en ze kon nu dieper door het ijs naar beneden kijken. De witte vormen werden duidelijker, maar ze kon niet geloven wat ze zag.

Hier? Op de bodem van het meer?

Opnieuw spande ze haar ogen in en keek naar de vormen onder haar, terwijl het ijs genadeloos verder scheurde. Paniek begon zich nu van haar meester te maken, maar hoe ze ook probeerde, bewegen lukte nog steeds niet. Misschien was haar rug wel gebroken, of haar benen, veroorzaakt door de enorme val die ze moest hebben gemaakt.

Maar plots sperde ze haar ogen wijd open en keek ze vol ongeloof toen ze onder het ijs, naast de witte vlekken, het afdekzeil van de boot zag liggen. Er zaten grote scheuren in en het lag er verfomfaaid bij, maar dat het ’t dekzeil van hun boot was, was overduidelijk.

Heleen kromde haar vingers en met alle kracht die ze bezat lukte het haar om haar armen ietwat te bewegen. Ze stuitte op een harde rand en voelde metalen strippen onder haar vingertoppen, evenals het mechanisme van de ramen die ze vanuit de serre met een hendel open kon doen. Haar hersenen draaiden overuren en gedachten gingen razendsnel door haar hoofd.

Permanente hersenbeschadiging wellicht, zei ze tegen zichzelf, door de smak op het ijs… ijs met kozijnen en een openingsmechanisme…

Pas toen drong het tot haar door dat ze helemaal niet op ijs lag, maar op de ramen van de serre. Er vond een explosie plaats in haar hoofd en ze herinnerde zich de duw in haar rug, het vallen uit het slaapkamerraam en het neerkomen op het dak van de glazen aanbouw. De figuren onder haar werden nu helder als kristal.

De afgebroken Meydamflessen, netjes gerangschikt op de eettafel recht onder haar, wachtten geduldig op haar val.

 

 © Jolka

 

 ~~~
Eerder gepubliceerd in de verhalenbundel ‘In de voetsporen van de meester’ , nog steeds te bestellen via Letterrijn.

 ~~~

 

 

 

Advertenties