~~~

In mijn slaap ben ik vrij. Altijd. Ik droom van vliegen over wolken, met wijd gespreide armen, rennen in de wind, zo hard dat mijn voeten de grond amper raken. Ik leun met mijn rug tegen een boom en zie alles om mij heen zo helder als ik niet eerder deed. Ik hoef niet veel te doen, alleen maar dat ene. Een eerste stap.


T
oen ze me vertelden dat ik nooit meer naar buiten mocht, dacht ik dat ze me voor de gek hielden. Dat moet een grap zijn. Nooit meer naar buiten? Dat kon toch niet? Ik moest naar school, ze zouden me daar toch missen?
Maar niemand kwam. Misschien ook wel, maar daar heb ik nooit iets van gemerkt. Alles gebeurde stiekem, heimelijk, in het geniep. Als je 8 bent is dat soms nog best wel spannend.
Mijn moeder bracht me te eten. Eenmaal per dag kwam ze bij me langs en voorzag me van brood, een kop lauwe thee en een appel. Ik heb ooit gedacht dat ze van me hield. Maar dat deed ze niet. Welke moeder laat haar kind dit doorstaan? Dan ben je geen moeder. Of je hebt geen hart. Dat kan natuurlijk ook.

Mijn kamer was niet groot, maar ruim genoeg. Ik deed heel de dag niets anders dan door het smalle raam naar buiten kijken en dromen over daar, daarbuiten, achter de muur. ’s Avonds schreef ik in mijn dagboek. Elke dag. Ieder jaar een boek vol. Ik schreef over mijn belevenissen. Spannende avonturen; spelen met vriendinnetjes, lachen om de jongens uit mijn klas, die gekke meester met zijn lange neus, die toch wel aardig was en vreselijk mooi kon vertellen.
De weg naar huis was door een korenveld, over graslanden en velden vol wilde bloemen. Ik kon ze voelen, ze zelfs ruiken, daar in mijn kamer. Dromend met mijn ogen open.

Als ik uit mijn kamer werd opgehaald, elke 7e dag, kreeg ik het gewaad aan en moest ik op het kruis liggen. Ik had geleerd om me af te sluiten van alles wat ze met me deden. Vroeger kon ik dat niet. Toen schreeuwde ik het uit van de pijn, verdriet en vernedering. Hevig bloedend lag ik op de tafel en onderging het ritueel.
Later deed het me niet zo heel veel meer. Ik sloot mijn ogen en zag het bloemenveld, de boom die me omarmde en me in bescherming nam. Ik hoorde en zag niets anders. Ze deden hun best maar.
Jaar in jaar uit ging het zo. Op een gegeven moment weet je niet beter.

En toen, zomaar op een dag, zag ik hem zitten. De sleutel van mijn kamer. Vergeten uit het slot te halen. Doodsbang dat ze hem zouden vinden bond ik er een flosdraadje aan, gevonden in de afvalemmer in de badkamer. Het andere eind van het draadje bond ik aan een van mijn tanden. Daarna slikte ik de sleutel door. Dat koste me erg veel moeite: de kartels van de sleutel sneden langs mijn keel en hij was veel groter dan ik had verwacht. Het draadje kietelde mijn huig en ik voelde braakneigingen. Na een paar keer overgeven en toch de sleutel weer doorslikken bleef hij zitten. Het gaf een overweldigend gevoel van macht: ik kon naar buiten als ik dat wilde. Voor het eerst sinds zes jaar!
Zodra iedereen het huis had verlaten, meestal was het dan al donker, trok ik de sleutel via mijn slokdarm voorzichtig omhoog. Eenmaal buiten lag ik uren in het gras, starend naar de sterren en mijmerend over vrij zijn.
Over de muur klimmen heb ik nooit gedurfd.
Zodra ik terug op mijn kamer was jankte ik de ogen uit mijn kop: de vrijheid was binnen handbereik, maar ik durfde niet te klimmen. Bang voor het weidse, het onbekende.

Mijn vader had het draadje zien zitten toen ik gilde. Hij lag bovenop me en was zo zwaar dat ik het uitschreeuwde. Met veel geweld trok hij aan het draad en haalde zo de sleutel omhoog. Ik kokhalsde en gaf bloed over, wat ik recht in zijn gezicht spoog.
Ze waren des duivels! Hoe vaak ik naar buiten was geweest en of en met wie ik gesproken had. Ik heb gelogen en gezegd dat ik nog maar twee keer uit mijn kamer was geweest. Ze geloofden het. Ook toen ik zei dat ik het nooit meer zou doen.
Mijn kamer werd van onder tot boven geïnspecteerd. Zelfs mijn bed kieperden ze om. Maar ze vonden niets.
Eenmaal alleen haalde ik de andere sleutel uit de naad van mijn matras en kuste deze. Die had gewoon  in het kastje bij de voordeur gehangen. Het leek wel of ze wilden dat ik ontsnapte.
Met de punt van mijn potlood, die ik steeds scherp sleep, maakte ik een sneetje onder mijn huid, in de holte van mijn arm. Daar stopte ik de sleutel in. Ik verbond het met een in repen gescheurd washandje en trok de mouw van mijn trui eroverheen. Het was niet te zien. Pijn voelde ik niet.
Zo kon ik toch naar buiten blijven gaan.

Mijn moeder kwam de emmers wisselen en vroeg waar mijn volle verbandjes waren. Ik vertelde dat ik al een poosje niet meer bloedde. Mijn moeder verbleekte. Ze wankelde op haar benen en even dacht ik dat ze aan mijn voeten neer zou vallen.
‘Je liegt,’ zei ze. ‘Je wil me laten schrikken.’ Ik schudde heftig ‘nee’. Ik zou niets doen om mijn kwaadaardige moeder boos te maken.
Meteen was er paniek.
Mijn vader kwam en voelde aan mijn buik. Hij perste zijn lippen op elkaar en keek toen naar mijn moeder. Hij knikte. Daarop barstte zij uit in een hysterische huilbui en hief haar handen naar de hemel. Ze bad tot God en vroeg, nee, smeekte Hem om vergiffenis. Ze schreeuwde en vroeg waar ze deze ellende aan had verdiend, of dit was gebeurd om haar te straffen. Ik begreep het maar half en vond haar gebeden hypocriet. Volgens mij had ze de bijbel niet goed gelezen.

Ze spoten me vol met spiritus. Flessen vol met blauw water leegden ze in me en spoelden me schoon. Maar het werkte niet. Bloedingen bleven uit. Ze staken scherpe voorwerpen in me en roerden en draaiden ermee tot ik van de pijn wegzakte in een zwart gat, maar het hielp allemaal niks. Ze werden wanhopig en vielen op hun knieën naast me neer, baden tot de Heer en raakten luid schreeuwend, zingend en huilend in een soort trance.
Ik kon niet bevatten wat er aan de hand was.
Toen ik, na de zoveelste poging ‘het’ uit me te drijven, meer dood dan levend terug naar mijn kamer werd gebracht heb ik beschermend mijn handen op mijn buik gelegd. Er was iets groots gaande, iets belangrijks, maar ik wist niet wat. Dagenlang heb ik zo gelegen, op het randje van de dood. Ik zweefde tussen licht en duisternis en wenste dat ik zou gaan, dat de Almachtige me tot zich zou nemen.

In eerste instantie dacht ik dat ik bezeten was toen ik op een dag iets binnen in mij voelde bewegen. Het draaide en keerde. Ik was bang, doodsbang, maar voelde tegelijkertijd ook iets van verwondering. Langzaam maakte de angst plaats voor berusting en ik kon bij tijd en wijle zelfs genieten van het gefladder onder mijn navel. Stiekem en helemaal van mij.
Mijn moeder kwam vaker langs dan normaal en voelde dan aan mijn steeds ronder wordende buik. Ze vertelde over het kind in mij. Ik dacht eerst dat ze bedoelde dat ik altijd kind zou blijven, maar begreep later dat er een mensje in mij groeide. Ik had geen idee hoe dat daar gekomen was.
Ze zei dat ik goed voor mezelf moest zorgen en niet bang hoefde te zijn. Zij zou voor het kindje zorgen als het geboren was.

Ik voelde afkeer, telkens wanneer ze zei dat zij voor het kindje zou zorgen. Dit was van mij en van niemand anders. Straks gingen ze met dit mensje hetzelfde doen als wat ze al die jaren al met mij deden. De afkeer groeide en steeds vaker duwde ik haar handen weg. Deze vrouw, die nooit een moeder voor mij was geweest wilde dit kind. Mijn kind! Het voelde fout.
De drang om te vluchten werd met de dag groter. Maar de angst voor het weggaan bleef, hoewel ik steeds vaker naar buiten ging en bij de klimop de muur van de tuin omhoog klom.
Dan staarde ik tussen het groen naar de buitenwereld die me lokte, me zo oorverdovend riep.
Straks was het te laat.

En toen brak de dag aan waarop ik de beslissing nam. Hier hield het op. Ik ging datgene doen wat mijn moeder tegen me had gezegd: ik moest goed voor mezelf zorgen. Voor de laatste maal haalde ik de sleutel onder mijn huid vandaan en opende de deur. Op mijn tenen ben ik over de overloop naar de trap gelopen. Ik wist welke treden kraakten en sloeg die over. Eenmaal beneden heb ik het vest van mijn moeder gepakt en dit aangetrokken.
Buiten ademde ik de koele avondlucht diep in me op en liep met ferme passen naar de muur die de scheiding vormde tussen mijn hel en de vrijheid. Daarbuiten, daar lag het. Een toekomst zonder angst en pijn. Een toekomst met een nieuw leven. Een leven dat nog van niets wist en dat ik in bescherming moest nemen. Immers: als ik het niet deed, wie zou het dan wel doen?
Mijn handen grepen de klimop stevig vast en langzaam begon ik naar boven te klimmen. Over de muur.

Ik was vrij.

© Jolka

~~~

Eerder gepubliceerd in Het Keerpunt, nog steeds te bestellen via LetterRijn.

~~~

Advertenties