.

~~~

~

‘Fate is the friend of the good, the guide of the wise, the tyrant of the foolish, the enemy of the bad.’ (William R. Alger)

~

Ze was gestruikeld en tot haar ontsteltenis zag ze dat ze bijna in de gevaarlijk puntige wortels van de boom terecht gekomen was. Ze zou gespiest zijn en het beslist niet hebben overleefd. De dode wortels zaten op borsthoogte en eenmaal daar geraakt zou ze niet eens meer om hulp kunnen hebben geschreeuwd.
Niet dat dat ertoe deed. Immers: wie zou haar hier überhaupt, op deze godvergeten plek kunnen horen? Misschien was het allemaal wel een vooropgezet plan geweest en had hij daarom de appelgaard van zijn vader gekocht. Veel appels groeiden er immers niet meer; de grond was armer als de eerste de beste zwerver en veel van de bomen, die ooit het sappigste fruit van heel de streek hadden geleverd, waren dood. Verdord, tot lege stronken verworden, hol gevreten door parasieten.
Wat had hem in godsnaam bezield?
Hij wilde de eenzaamheid, bewust afgelegen zijn.
Ze wist het zeker.

Eens komt de dag dat het allemaal voorbij is. Dan zul je me nooit meer vernederen. God werkt op mysterieuze manieren. Ik bid er elke dag voor, dat Hij je zal laten ophouden, jou tot inkeer laat komen.
‘Geef me een kind!’ schreeuw je me telkens toe, maar mijn lichaam doet niet mee aan jouw wil.

Ik durf je niet te vertellen dat ik er eigenhandig voor heb gezorgd dat ik nooit een kind van jou zal krijgen. Ik wil me niet nóg meer aan jou binden. En daarbij: wie zegt mij dat jij ons kind niet net zo zal gaan behandelen als hoe je dat nu met mij doet? Ik zou het mezelf nooit vergeven.

Ooit, minder lang geleden dan ik wil, waren ze onderweg, maar verloor ik ze vroegtijdig door jouw beukende vuisten en dreven vroege levens uit mij, hoezeer ik ook trachtte ze vast te houden. Ik koesterde al het nieuw dat in me groeide, hoe kort dat ook was. Nog helemaal vrij van al het slechte dat de wereld beheerste en van niets bewust.
Doder dan dood gleed het echter uit me en met ieder verlies stierf een stukje van mij. Ik wilde het niet, maar oh, wat haatte ik hun vader.

Mijn lichaam is ondertussen niet meer dan een stuk vlees, wat je tot je neemt als jij daar de behoefte toe voelt. Je neemt en neemt en geeft er niets voor terug.
Ik merk dat het protesteert bij elke keer dat je me aanraakt, je handen op plekken brengt waar ik ze niet wil hebben en je bij me naar binnen dringt – zoveel geweld! – om maar te proberen je voort te planten. Het geweld dat daarbij gepaard gaat brengt me in een half bewusteloze staat en vaak kan ik me niet herinneren wat er is gebeurd. Ik zie aan de rode cijfers op de wekker naast het bed dat er uren zijn verstreken. Mijn spieren zijn stijf, mijn oogleden gezwollen. Ik voel dat ik vloei en met veel moeite – en heel veel pijn – lukt het me naar de badkamer te bewegen.
Jij slaapt je roes uit; zonder alcohol krijg jij niets meer voor mekaar.

Ik huil in stilte als ik mijn gezicht zie in de gebarsten spiegel. Rood en verdikt, ik ben haast niet in staat mijn ogen open te houden. Mijn buik brandt en ik weet dat ik van binnen kapot ben. Alwéér. Ik ruim de resten op en het vele bloed dat ik verlies, plak tientallen zwaluwstaartjes bij mijn oog en naast m’n mond, verbind mijn wonden. Alles doet pijn. Alles doet zo’n pijn.

In de keuken maak ik pepermuntthee en slik een handvol aspirine. De bonkende hoofdpijn zal er niet door overgaan, maar de pijn door de lichte hersenschudding – nummer zoveel – verliest op die manier z’n scherpe kantjes.
Ik bak een dikke biefstuk en eet het half rauwe, nog bloedende stuk vlees geconcentreerd kauwend op. Daarna ruim ik alles op, spic en span. Jij mag er niets van merken.
Het bleekmiddel, waarmee ik de bloedvlekken uit mijn kleren, het tapijt en van de muren weg krijg, bijt agressief in mijn vingers, mijn ogen en neus, in de wonden op mijn handen. Maar ik mag niet huilen.
Ik moet beter oppassen. Straks slaat hij me nog dood.

Tijdens het afwassen valt mijn oog op het grote vleesmes. Het heft ligt als gegoten in mijn hand. Ik zou er een eind aan kunnen maken. Ik zou het mes in één beweging in mijn borst kunnen drukken. Dan ben ik overal vanaf. Eindelijk rust.
Ik zou natuurlijk ook een eind aan zijn leven kunnen maken. Maar hoe ruim ik alles op?
Boer Dirksen zou hem geheid missen. Het vee zou ’s ochtends niet meer naar de weide worden gedreven. Hij zou komen kijken, vragen waar zijn hulpje bleef. Gekscherend vragen of hij zijn roes nog lag uit te slapen.
‘De luiwammes’, zou hij zeggen.

Natuurlijk zou ik z’n gedrag vergoelijken, zeggen dat hij erg moe was, of ziek. Maar dat kon ik maar enkele dagen volhouden. Ik zou kunnen liegen, vertellen dat hij bij me weggegaan was, me had verlaten voor een ander. Ik weet zeker dat Dirksen dat zou geloven. Die had immers nooit onder stoelen of banken gestoken een hekel aan hem te hebben. Aan zijn manieren, respectloos, dat hij te veel zoop en zijn werk niet goed deed. Hoe groot zijn ergernis was over het feit dat hij de appelgaard binnen een paar jaar tot een absoluut nulpunt had gebracht.
Ik zal knikken en mijn mond houden, hier gebeurt immers niets dat het daglicht niet verdragen kan? Hij is mijn man. In voor- én in tegenspoed… dus wacht ik gelaten op de volgende aanval van razernij, waarna het hele ritueel overnieuw zal beginnen.

Waar ze deze keer ruzie over hadden kon ze zich niet meer herinneren, maar dat het om een futiliteit ging of iets dat niet haar schuld was stond vast. Voor hem was er altijd wel een aanleiding om ruzie te maken en anders zocht hij net zolang tot hij iets vond. Hij smeet een bord met half warm eten tegen de muur van de smetteloos witte keuken en noemde haar telkens ‘kutwijf’.
Hij siste het tussen zijn tanden door, terwijl hij langzaam overeind kwam en dreigend voor haar ging staan.
Ze helde achterover, maar deed geen stap uit zijn richting. Iets wat ze anders altijd wél deed, waardoor zijn gevoel van autoriteit groeide. Hij legde zijn hand om haar hals en kneep haar luchtpijp dicht, waarbij hij zo veel kracht zette dat ze tegen de kast werd geduwd. Zijn vingers drongen diep in haar vlees en zijn nagels lieten er bloederige halve maantjes achter.
Hoe ze uit zijn klauwende handen had weten te ontsnappen zou ze later niet kunnen vertellen, maar ineens kreeg ze weer lucht en rende ze voor haar leven, door de achterdeur naar buiten. Het maakte hem furieus! Hij raasde en tierde en riep steeds haar naam, gebood haar bij hem te komen, te stoppen met voor hem weg te lopen.

De bomen van de appelgaard omhelsden haar, alsof ze haar wilden beschermen tegen het geweld van de briesende en tierende man die achter haar aan kwam en haar amper bij kon houden. Links en rechts maakte ze scherpe bochten, verloor onderweg haar schoenen, wat haar nog sneller liet lopen. De angst die door haar lijf gierde maakte haar misselijk en elke spier sneed venijnig met iedere pas die ze zette, maar opgeven wilde ze niet.
Hij riep haar naam, hij was des duivels, ze hoorde het. Als hij haar te pakken kreeg zou hij haar vermoorden.
Dat mocht, maar makkelijk wilde ze het hem niet maken. Dat was haar eer te na. Haar voeten leken het te willen begeven, maar de adrenaline hield haar overeind. Tot ze opnieuw een bocht in ging en kuilen en los gewoelde aarde haar voorover liet vallen. Met een smak viel ze op de grond en sloeg elke ademzucht uit haar. Oog in oog lag ze met de vele uit de grond stekende wortels, nog geen armlengte van haar vandaan. Bomen die eens vol liefde waren geplant en uitgegroeid tot de rijkste fruitgevers van de omgeving gaapten haar afgestorven aan. Roerloos keek ze er naar terwijl ze hoorde hoe dichtbij hij was. Zijn stem bulderde, liet de lucht tussen de stammen trillen, deed haar adem nog meer stokken en haar hart als een bezetene in haar borst bonzen.
Hij wist precies waar ze was, alsof hij haar kon ruiken – als een hongerig beest! – en kwam struikelend over zijn eigen voeten bij haar aan.
Het ging razendsnel. Zijn borst raakte meteen de vlijmscherpe wortels, die zijn lichaam meedogenloos doorboorden. Zijn bewegingen bevroren en hij hapte snakkend naar adem. Met beide handen pakte hij de stronk en wilde zich achteruitlopend van het dode hout bevrijden. Maar met iedere beweging bracht hij de wortels juist dieper in zich en langzaam prikten ze zich via zijn rug een weg naar buiten. Hij opende zijn mond en probeerde uit alle macht te schreeuwen – om hulp, van angst en pijn – maar zijn longen weigerden daaraan mee te werken. Smekend keek hij haar aan… maar ze kroop op handen en knieën bij hem vandaan. Het krakende hout vouwde hem vaster tegen de boom en zoog het leven beetje bij beetje uit hem.

Met het uitblazen van zijn laatste adem verschenen er aan de uiteinden van de takken de eerste stukjes groen. Broze blaadjes ontsproten na jaren van gevangenschap en keerden naar het daglicht… als herboren…

© Jolka

~~~

(Voorgedragen bij de presentatie van de bundel ‘Vissen zonder aas’, van Theo van Rijn. Het boek is bij hem te bestellen.)

~~~

.

Advertenties