~~~

‘I feed you, I drink you by day and by night
I need you, I need you by sun or candlelight
You protest, you want to leave
You say there’s no alternative’

(‘Obsession’ – Animotion)

~~~

Totale aanbidding, dat was wat ik voor hem voelde. Ik kuste nog net niet de grond waarop hij liep, maar voor de rest kroop ik voor hem. Hij, die knappe zanger, was andersom ook voor mij gevallen. Als het spreekwoordelijke blok.
Maar de liefde is over. We zijn nog geen anderhalf jaar verder.
De euforie van het aan de haak slaan van een beroemdheid sloeg al snel om in teleurstelling. Naast zijn prachtige liedjes ten gehore brengen, die hij vanaf dat moment natuurlijk alleen nog maar voor mij zong, had hij ook een gewone baan.
Als postbode.
Ik kreeg de slappe lach toen hij me op een ochtend wakker kuste en ik zag dat hij zijn uniform droeg.
Ik lachte echter niet meer toen hij nog diezelfde dag bij mij op kantoor verscheen en me een doosje bonbons bracht. Ik schaamde me de ogen uit mijn kop en voelde die van mijn collega’s priemen in mijn rug.
De bonbons heb ik weggesodeflikkerd.
Ik hou niet van puur. Dat ie dat nou nog niet wist.

Ik walgde van zijn gezever over zijn chef, waar hij klaarblijkelijk niet mee overweg kon.
‘Als je zo’n hekel aan hem hebt,’ zei ik nog, ‘dan sla je hem toch eens een keertje goed op zijn muil.’ Naar zijn ach en wee luisterend kwam ik erachter dat het de auto was waarmee diezelfde chef naar het werk kwam. Jaloezie dus. Mietje.

Het duurde en duurde en mijn verachting werd maar groter en groter. Hoe hij altijd en eeuwig in zijn neus zat te peuteren, er grote hoeveelheden snot uit haalde en dat – natuurlijk! – opat. En hij maar denken dat niemand het zag.
Op een gegeven moment was ik dat zo beu dat ik er wat van zei:
‘Zeg. Met die mond kus je me ook, hè!’ Dan kon ie me zo onnozel aankijken.
‘Hoe bedoel je?’ zei hij dan.
‘Je zit snot te eten.’
‘Dat is heel gezond. Wist je niet, hè. Vergroot je je weerstand van.’

Zijn verzameling afgeknipte teennagels – van die gele – mocht ik absoluut niet weggooien. Achterdochtig als hij was, was hij bang dat iemand ermee aan de haal zou gaan. Eerst begreep ik niet wat hij daarmee bedoelde, maar gaandeweg ontdekte ik dat hij doodsbang was dat ze hem zouden klonen. Echt!
De haren die ’s ochtends in zijn kam bleven hangen, spoelde hij zorgvuldig door de wc.
Eerst vond ik zijn eigenaardigheden aandoenlijk. Dat veranderde langzaam maar zeker in minachting en ontzetting.
En verbazing. Want verbazen kon hij me nog steeds.

Zijn neurotische trekjes waren in het begin nog redelijk overzichtelijk en enigszins te accepteren, maar toen hij werkelijk alles rechtzette wat ik ietwat scheef in de kast had gezet, begonnen mijn handen te jeuken. Ieder potje, blikje of pakje was netjes met het etiket naar voren gezet. Op alfabetische volgorde en op datum. Oud eerst, jong achteraan. Het werkte op mijn zenuwen.
Ik durfde amper nog wat te pakken. Bang om iets aan te raken wat daarna uit het lood zou staan. Helemaal toen hij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat – als uit het niets – achter me stond, iedere keer wanneer ik een pot jam, een zakje nootjes of de fles curry of iets dergelijks pakte. Ik voelde zijn controlerende adem in mijn nek en sidderde wanneer hij een flesje ketjap een beetje draaide. Zelfs als ik het naar mijn idee perfect recht had neergezet, moest hij het toch nog even aanraken. Het maakte me horendol.

Ik wilde er vanaf. Van hem af. Maar zijn bezitterigheid stak de kop op. Alleen met vriendinnen naar de bios of zomaar naar de kroeg was uit den boze. Hij wilde mee en anders op zijn minst in dezelfde ruimte als ik vertoeven.
‘Om me in de gaten te houden,’ zei ik. Maar dat zag ik verkeerd. Hij hield van me, zielsveel en hij wilde me beschermen.
‘Maar ik ben met vriendinnen en we gaan niet naar obscure kroegjes,’ zei ik. Dat hij heel de avond naar me zou zitten koekeloeren, daar paste ik voor. Dan maar niet op stap, geen sociaal leven meer.
Toen ik merkte dat hij al een hele poos mijn sociale netwerk om zeep hielp door daar in te loggen en mijn contactenlijst te ontdoen van alle mannelijke followers, vrienden en zelfs familieleden was de lol er voor mij af. Ik verwijderde – met pijn in mijn hart – mijn profielen op Facebook, Hyves en Twitter. Mijn vriendinnen verklaarden me voor gek.

Dat hij van me hield – op zijn eigen, kromme manier –  dat geloofde ik wel, maar zijn dwangmatigheden en bezitterigheid maakten me ziek. Letterlijk.
Ik ervoer pijntjes in mijn lichaam die ik niet kon thuisbrengen, maar die er altijd waren. Ik sliep slecht, lag heel de nacht in één houding om hem maar niet aan te hoeven raken en stond ’s ochtends geradbraakt op uit bed. Ik ontweek zijn lichaam, zijn kussen in de ochtend. Ik wist dat hij zijn mond afveegde wanneer zijn lippen de mijne raakten. Het was meer dan pijnlijk om te ontdekken dat hij dat deed, net als de uitgebreide douche die hij nam als we hadden gevreeën. Hij was vies van me.

Ik werd vies van me.
Ik douchte me dagelijks, op zijn verzoek soms wel drie keer. Mijn handen waste ik telkens wanneer ik iets had aangeraakt. Mooier werden ze er niet van: mijn huid brak en leek op gebarsten porselein, zoals het craquelé theeservies van mijn grootmoeder.
Ik poetste mijn tanden tot bloedens toe, hoopte op een witter gebit, als een filmster. Maar de duurste tandpasta’s of zelfs citroensap en chloor mochten niet baten. Hij was niet tevreden.
Langzaam werd ik zijn grootste neurose en hoewel ik ertegen vocht, gleed ik stilaan in de dwangmatigheden van zijn zieke brein. Ik boende en poetste zijn huis, de auto en mijn lichaam of mijn leven er vanaf hing. Zijn afkeurende blikken, zijn diepe zuchten omdat ik het nooit goed deed nam ik voor lief.

De rollen waren omgedraaid. Mijn aanbidding werd de zijne in de meest ziekelijke vorm van het woord. Ik werd wie hij wilde dat ik was, droeg de kleren die hij ’s morgens voor me klaar legde, ik maakte me zwaar op en toupeerde mijn haren. Omdat hij dat mooi vond. Ik bediende hem op zijn wenken. Overal. Hij dreigde met fysiek geweld als ik me niet aan zijn regels hield. Dat hij dat dreigement serieus nam heb ik geweten toen ik voorzichtig voorstelde wat minder felle lipstick te gebruiken. Ik dacht dat het bij die ene klap in mijn gezicht zou blijven, maar toen ik bijkwam in ons bed wist ik dat ik voortaan veel voorzichtiger zou moeten zijn met mijn uitspraken. De blauwe plekken op mijn jukbeen en het scheurtje bij mijn oogkas maskeerde ik met vloeibare make-up. Ik schaamde me dood als mensen me aanstaarden. De make-up verborg mijn pijn amper…

Hij commandeert me met de grond gelijk en schreeuwt als nooit tevoren. Het nieuwe slot in de deur zal ervoor zorgen dat ik niet meer naar buiten kan. Nooit meer glimlachen naar de jongen van de supermarkt, die hij afgelopen zaterdag een bloedneus had geslagen. Het arme joch wist niet waar het over ging, had mij niet eens gezien. Met lange halen draait hij de schroeven vast in het hout. Ik kan zo meteen geen kant meer op.
‘Ik heb een kruiskop nodig,’ hoor ik hem zeggen.
In een waas geef ik hem een van de vele schroevendraaiers uit de gereedschapskist die tussen mijn voeten op de grond staat. Het geluid van mijn versnelde hartslag suist in mijn oren.
‘Een kruiskop, zei ik toch,’ roept hij kwaad. ‘Dit is een rechte!’
Zonder hem aan te kijken grabbel ik in de metalen kist en pak de eerste de beste schroevendraaier die ik tussen mijn vingers voel. Ik zwaai het instrument naar achteren.
‘Hier!’ De snauwende toon in mijn stem ontsnapt me en geschrokken realiseer ik me meteen dat ik veel te onvriendelijk heb geklonken. Dat zal me berouwen, weet ik nu al. Maar het blijft stil.
Ik kijk om en maak me klaar om de scheldkanonnade in ontvangst te nemen. Maar hij zegt niets. Uit zijn keel komt een gorgelend geluid. Uit zijn oogkas, waar de schroevendraaier tot ver achterin zijn hersenmassa gestoken zit, sijpelt een dun straaltje bloed. Volkomen verbouwereerd doe ik mijn hand in m’n broekzak en vind er een papieren zakdoekje. Zacht veeg ik het bloed van zijn wang.
‘Stil maar,’ zeg ik. ‘Ik ruim de rommel wel op.’

 

© Jolka  ‘12 

~~~

Advertenties