.

~~~

Wanneer het is begonnen kan ik me niet herinneren, maar dat het ooit begon is zeker, want daarna kon ik er niet meer mee ophouden. Het lijkt onderhand wel een verslaving.
Het werd me dan ook wel heel erg makkelijk gemaakt; de kat op het spek binden vind ik een understatement.

Niemand weet het, niemand merkt er ooit iets van, al is de kans om te worden betrapt natuurlijk altijd aanwezig. Zou dat het zijn? Dat ik kick op het risico om te worden gesnapt? Dat ik dweep op de roes die de adrenaline me geeft?
Ik voel hoe mijn hart in mijn slapen bonst als ik de portemonnee open knip en het geld eruit pak. Ik stop de knisperend verse briefjes van 50 en 100 Euro in mijn bh.
Ik laat altijd wat biljetten achter. Al het geld meenemen zou wel heel erg stom zijn, hoewel de verleiding erg groot is. Zorgvuldig leg ik de beurs terug en drapeer wat van de inhoud van de tas eroverheen. Een zakdoekje, een rolletje pepermunt, een agenda of fotoboekje, vol met blije kiekjes van kleinkinderen.
Mevrouw van der Galiën bijvoorbeeld merkt er op die manier niets van. Ze slaapt diep en daarbij is ze stokdoof; ik kan zo luidruchtig doen als ik zelf wil. Ze hoort toch niets.
Haar buurman, meneer Geerdink is van het achterdochtige type: hij verstopt zijn portemonnee telkens op een andere plek. Ik ben soms wel een kwartier bezig om die te vinden en vloek regelmatig, sissend, tussen mijn tanden door.
Maar de laatste tijd wordt hij transparant; zijn kamertje in de verzorgingsflat is natuurlijk niet al te groot en de plaatsen om iets goed te verbergen worden schaars. Ik vind de bruinlederen geldbuidel uiteindelijk altijd. Ik trek er een tiental bankbiljetten uit en maak er een waaier van, waarna ik er decadent mee voor mijn gezicht wapper. Ik kan een triomfantelijke glimlach niet onderdrukken, terwijl ik even naar de ex-eigenaar van het geld kijk.

Een paar weken geleden was het geluk nog meer met mij: er liep hier een vreemde snuiter door het verzorgingshuis. Ik attendeerde een van mijn collega’s op hem, die er meteen achteraan liep. Toen even later de politie hem fouilleerde, bleek dat zijn zakken vol met gestolen goederen zaten: handenvol sieraden en veel, heel veel geld. Dat er de laatste tijd opnieuw dingen worden ontvreemd kan op deze manier aan de slechte beveiliging worden toegeschreven. Ik doe enthousiast mee met het klagen over niet goed afgesloten deuren en codes die zo makkelijk zijn te kraken dat een kleuter zelfs zo naar binnen kan lopen. Ondertussen roof ik naar hartenlust door en spek ik op die manier mijn bankrekening.

De kapotte muziekdoos onderin de ladekast van de welgestelde mevrouw Schuylenburg verandert nooit van plaats en zit iedere maand opnieuw vol met papiergeld. Zij is mijn kip met de gouden eieren. Groot voordeel: ze vertrouwt me volledig en vertelt me regelmatig op heimelijke toon dat ze geld mist en dat ze haar kinderen – vooral haar ‘onbetrouwbare zoon’ – ervan verdenkt wel eens een graai in haar ‘kluis’ te doen.
Op hun beurt begrijpen haar kinderen niet waar moeder het geld toch aan uitgeeft en zijn bang dat ze het ergens in haar kamertje verstopt. Ik help hen zoeken en luister ondertussen naar hun klaagzang. Hoewel ik de bezorgdheid in hun stemmen heus wel hoor, doet het me nagenoeg niets.

Of toch wel?
Mijn geweten begint te knagen. Of is het mijn angst om te worden betrapt? Laatst zag ik tot mijn schrik dat meneer Feenstra zijn ogen open had, juist toen ik het stapeltje geld in mijn kleren stopte. Ik trok mijn smetteloos witte uniform recht en liep naar het bed. Ik gleed met mijn vingers over zijn oogleden, die moeiteloos dicht gingen. Had hij me gezien, of lag hij met zijn ogen open te slapen? Ik werd misselijk van de stress die door mijn bloedbaan gierde en beloofde mezelf beterschap, in de spiegel van de personeelstoiletten.

Eigenlijk moet ik ermee ophouden, dit kan zo niet langer. Als ik betrapt word ben ik zwaar de klos.
Morgen stop ik.

Misschien.

© Jolka
(2010)

Een bekentenis van een van mijn Geheimen..
Deze bekentenis is van fictieve aard.

~

Advertenties