Nadat een jongeman zo vriendelijk was geweest om haar koffers bovenin het bagagerek te leggen was ze gaan zitten. Ze knoopte haar sjaal en jas wat losser en wreef haar handen warm. Met lege ogen staarde ze naar buiten. De ramen van de trein waren vies en in het vuil was met krullerige vingerafdrukken en hanenpoten geschreven. In spiegelbeeld stonden er namen van geliefden te lezen, met hartjes en pijltjes. Maar ook scheldwoorden en schuttingtaal.

‘Mag ik hier zitten, mevrouw?’ klonk een stem naast haar.
Ze keek om en zag een jongetje naast de bank staan. Het kind was vast niet ouder dan een jaar of tien en veel te luchtig gekleed voor de tijd van het jaar. Zijn rode broek kwam amper over zijn knieën en het T-shirt liet een stukje van zijn buik zien. De veters van zijn sneakers had hij niet gestrikt, maar diep in de schoenen gepropt. Ze schrok van de blauwe ogen van de jongen. Dezelfde kleur als Niek…
‘Tuurlijk mag je hier zitten,’ zei de vrouw en wees naar de lege bank tegenover haar.
‘Heb je het niet koud?’
‘Nee. Mijn jas ligt nog bij mijn moeder.’
‘Maar je blote benen dan? Het is veel te koud voor een kniebroek.’
‘Als we uitstappen ga ik in de auto naar huis. Mijn vader haalt ons op.’
‘Gelukkig maar… Hoe heet je?’
‘Ik heet Lucas. En u?’
‘Ik ben Evelien.’
‘Waar gaat u naartoe?’
‘Ik… ik ga een poosje bij mijn moeder wonen.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik even niet thuis wil wonen.’
‘Waarom wilt u niet meer thuis wonen?’
‘Waarom wil jij dat weten?’
‘Omdat ik zie dat u verdrietig bent.’
Evelien schrok opnieuw. Waarom was dit kind zo direct tegen haar? En nog vreemder: waarom bleef ze maar antwoord geven?
‘Dat ben ik ook,’ zei ze.
‘U hebt iemand verloren,’ zei Lucas, ‘iemand waarvan u heel veel hield.’
‘Nog steeds, ik hou nog steeds van hem.’
‘Maar Niek zou niet willen dat u nog steeds verdriet om hem had.’
‘Ik kan het niet helpen. Ik heb…’ Evelien’s stem stokte. Had ze Niek’s naam genoemd? Dat moest haast wel. Hoe anders wist hij hoe haar zoon heette?
‘Ik heb geen afscheid van hem kunnen nemen,’ ging ze verder en nam Lucas nog eens goed in zich op. Een wijs kind, schoot door haar heen. Een oude ziel.
‘Zou u dat willen, afscheid nemen?’
‘Nee… ja… ik weet het niet. Als ik hem nu zou zien zou ik hem vastpakken en nooit meer loslaten.’
‘Hij wil niet dat u weggaat, weg bij zijn vader, weg uit jullie huis. Hij wil dat u weer terug gaat gaat.’
‘Dat kan ik niet. Het huis kleeft van herinneringen van Niek aan elkaar. In alles wat ik zie, zie ik hem. Zijn kleren, zijn speelgoed, het bed in zijn slaapkamer. Ik heb daar laatst een uur op gelegen, met zijn jas tegen mijn neus gedrukt. Ik ben zo bang dat ik zijn geur vergeet. Ik wil hem niet vergeten.’ Ze vocht tegen de tranen die in haar ogen brandden en probeerde de brok in haar keel weg te slikken.
‘Niek heeft een ongeluk gehad, hè.’
Evelien knikte.

Dikke sneeuwvlokken zoefden langs de rijdende trein, terwijl Lucas verder ging:
‘Hij is onder een trein gekomen, precies vorig jaar, niet eens zo heel ver hier vandaan. Hij gleed door met zijn slee en kwam op het spoor terecht. We rijden er straks langs, hè?’
Opnieuw knikte Evelien. Ze kon geen woord uitbrengen.
‘Het gaat goed met Niek. Hij wilde dat u het wist. Hij heeft geen pijn, hij is alleen verdrietig omdat u zoveel huilt. En nu van huis wegloopt.’
‘Hoe weet jij dit allemaal??’
‘Dat doet er niet toe. Stap bij het volgende station uit en ga terug naar huis. Doet u dat?’
‘Ik weet het niet.’
‘U moet terug naar huis. Doet u dat?!?’
Evelien slaakte een zucht. Ze kon zich niet bewegen. Toen knikte ze.
‘Ik doe het,’ zei ze. Er rolde een traan over haar wang, die ze haastig wegveegde.
‘De tunnel komt eraan,’ zei Lucas. Hij boog zich naar voren en legde zijn hand op die van Evelien.
Het werd donker in de trein zodra ze de tunnel inreden. De verlichting in de wagon knipperde en viel enkele keren uit. Lucas’ gezicht veranderde langzaam in dat van Niek.
‘Mama,’ zei hij en keek zijn moeder liefdevol aan.
Evelien kon alleen maar ademloos kijken naar de jongen tegenover haar.

De tunnel was korter dan in haar herinnering. Toen het weer lichter werd in de coupé was Lucas verdwenen.
Verward keek Evelien om zich heen, maar ze zag hem niet meer. Haar hart klopte in haar keel en ze werd duizelig toen ze opstond. Al snel minderde de trein vaart en stopte hij op een verlaten station. Gehaast stapte Evelien uit, de koffers in het rek achterlatend. Ze liep over het ijzig koude perron met de trein mee, toen deze wegreed en keek aandachtig in iedere coupé, in de hoop de jongen te kunnen vinden. Maar ze zag hem niet.

Met een grote zwaai gooide ze de achterdeur van hun huis open, daarbij een wolk van sneeuw met zich meenemend. Ze riep een paar keer de naam van haar man, maar ze kreeg geen gehoor. Met snelle passen liep ze de trap op en liep half struikelend naar hun slaapkamer. Ze zag de deur naar de badkamer op een kier staan en beende er met grote passen naar binnen.
Even dacht ze dat ze er ter plekke zou sterven toen ze Ronald in bad zag liggen, zijn gezicht onder het wateroppervlak. Naast het bad lag een leeg potje, waarin ooit een tiental slaappillen hadden gezeten. Háár slaappillen. Ze viel op haar knieën voor het bad en trok haar man omhoog. Hij haalde amper adem.
‘Liefje,’ zei Evelien, terwijl ze in huilen uitbarstte, ‘het komt goed… Je mag niet doodgaan, liefje… Ik ga nooit meer bij je weg. Ik blijf… altijd.’

© Jolka

 

 

Advertenties