~~~

Op een gegeven moment dan wil je niet meer. Dan moet het stoppen. Er zal toch wel eens iemand zijn die het ziet en het zal zeggen?

Stop er toch eens mee.

Nu fiets ik hier, over de Van Woustraat. Mijn wielen raken de tramrails en ik moet goed balanceren wil ik niet onderuit gaan. Het regent en de rails glinsteren in het schijnsel van het lantaarnlicht. Mijn boosheid doet de pedalen sneller en sneller ronddraaien en ik voel hoe mijn hart in mijn borst pompt. Met diepe slagen gutst mijn bloed door het lichaam, mijn bloedvaten verwijden en adrenaline doet de borstcrawl. Snel, sneller, snelst. De wedstrijd is begonnen.
Het zweet op mijn voorhoofd vermengt zich met de miezerige regen en tranen van woede vloeien onzichtbaar langs mijn wangen. Terwijl ik op mijn onderlip bijt proef ik het bloed, maar voel niet hoe diep mijn tanden al in het vlees zijn gedrongen. Ik wil het wel uitschreeuwen maar kan het niet. Door het hijgen voelt mijn keel aan als schuurpapier en al hoestend en naar adem snakkend baan ik me een weg tussen de andere weggebruikers.

Laat me met rust!

De waanzin in mijn hoofd is losgeslagen. Er is geen weg meer terug. Wat gedaan is is gedaan en de klok terugzetten is eenvoudigweg onmogelijk. Wie zal mij geloven? Heeft iemand ooit gezien hoe vernederend het is, was? Hoe de gordijnen dichtgingen en het altijd in het donker gebeurde? Waarom zag niemand iets?!?
Het geld brandt in mijn broekzak. Veel geld deze keer, want het was voor het laatst. Daar moest ik heel veel moed voor verzamelen. En een aantal voorzorgsmaatregelen treffen. Maar ik durfde en ik deed. Het was makkelijker dan ik had gedacht. Het ging haast vanzelf.
Het geld in het wijnkistje dat achterin het dressoir stond heb ik boven mijn hoofd gehouden en met kracht op de plavuizen vloer gegooid. Het marmermotief, als een nieuwe grafsteen, versplinterde het kistje, waarna het briefgeld alle kanten uit wapperde. Op handen en knieën heb ik het bij elkaar geraapt en in mijn zakken gepropt. Ik heb nog één keer omgekeken.

Dit

nooit

meer.

In de wc heb ik mijn kleren gefatsoeneerd. Ik zag dat de knoop van mijn broek was gesprongen en heb er nog naar gezocht. Vraag me niet hoe maar ik wist mezelf zover te brengen terug te lopen, daar, naar die helse ruimte. Maar naar binnen gaan durfde ik niet, hoewel ik wist dat dat moest. Wanhopig huilend heb ik daar nog zeker een kwartier gestaan, de deurklink met twee handen omklemd.

Maar ik kon het niet.

Terug in de wc zag ik mezelf in de spiegel en heb ik me vermanend toegesproken. Met mijn handen als een kommetje plensde ik water over mijn gezicht en waste ik de sporen van mijn vingers. Het pinnetje van één van mijn oorbellen gebruikte ik om mijn nagels schoon te maken en met de mouw van mijn jas veegde ik de wastafel droog.
Na een laatste inspectie verliet ik de nauwe wc.

Ik fiets of mijn leven er vanaf hangt. Het slechte in mij is ontwaakt en gromt in me als een duivel. Ik ben bang. Bang voor wat komen gaat, voor mezelf, voor wat ik heb gedaan. Maar nog veel banger ben ik voor het moment dat ze zullen ontdekken dat die knoop daar ligt, dat ik het was die het deed. Zal iemand me geloven als ik vertel waarom? Of zal alles tegen me spreken? Ik wil niet gestraft worden, ook al weet ik dat ik over die grens ben gegaan. Ver. Maar hij vroeg erom. De stemmen in mijn hoofd lieten me dit doen. Dat was toch niet ik? En gestraft ben ik al. Ik heb levenslang. Hij is er maar makkelijk vanaf gekomen.
Het voorwiel van mijn fiets glibbert over de kletsnatte tramrails en ik voel hoe de fiets onder mijn lichaam wegglijdt. Als vertraagd merk ik dat ik val. Mijn voet raakt de grond, daarna m’n been, heup en schouder. Zodra de zijkant van mijn hoofd het asfalt kust gaat het licht uit en wordt alles stil. Ik ben doof en blind.

Maar ik zie kleuren, flitsen en ik hoor stemmen van weleer. Of het wel goed met me gaat. Ik kan geen zinnig woord uitbrengen, ben alleen maar verwonderd over zoveel schoonheid in het verre licht. Schoonheid die me omhult of ik een engel ben, gelooft in de goedheid van de mens en al het slechte overwint. Waarbij elke zin uitgesproken wordt als een lied, een aria, de mooiste symfonie die Mahler ooit schreef. Ik ruik de geur van bloemen en pas gemaaid gras, van wijn en versgebakken brood. Ik ben verlost. In de hemel. Einde-lijk ben ik dood.
Een schittering, daar ergens in de verte schudt me wakker en hoewel ik niet wil, trekt het me uit de roes van het beloofde land. De schittering.

‘Doe je ogen maar open.’

Maar dat wil ik nog niet.

‘Het komt goed. Het valt allemaal reuze mee.’

Al dat moois.

‘Vertrouw me maar.’

Mijn oogleden zijn zwaar, toch open ik ze.
In de regen, vlak naast de tramrails zie ik de schittering van mijn knoop… en ik glimlach.
‘Gaat het wel goed met u?’

~~~
© Jolka 2012

~~~